Hoeveel natuur- en wiskundige termen bedacht Simon Stevin nu echt?

Hoeveel natuur- en wiskundige termen bedacht Simon Stevin nu echt?

Simon Stevin staat bekend als de bedenker van een hele waslijst aan Nederlandse natuurkunde- en wiskundetermen. Maar het aantal woorden dat hij daadwerkelijk zelf heeft geïntroduceerd, blijkt kleiner dan gedacht. Bovendien zijn ze lang niet allemaal meer in gebruik, schrijft taalkundige en etymoloog Nicoline van der Sijs.

Het is een algemeen aanvaarde gedachte dat Simon Stevin de grondlegger is van het wiskundige en natuurwetenschappelijke Nederlands. Hij geldt bijvoorbeeld als degene die woorden als aftrekken, delen en driehoek heeft gemunt. De gedachte ligt ook voor de hand: Simon Stevin (1548-1620) was immers de eerste bekende natuurwetenschapper die in de zestiende eeuw in het Nederlands schreef – hoewel geleerden op andere vakgebieden, met name in de medicijnen, hem waren voorgegaan. Maar klopt dit beeld wel? Is Stevin inderdaad verantwoordelijk voor de natuurwetenschappelijke terminologie? Welke woorden heeft hij dan precies gemunt?

Geijkte woorden

Voordat we deze vragen kunnen beantwoorden, moeten we eerst iets meer weten van de situatie waarbinnen Stevin opereerde. Wetenschappers zoals Stevin, die ervoor kozen om in het Nederlands te schrijven, stuitten op praktische problemen: voor lang niet alle begrippen bestonden Nederlandse termen, omdat tot dan toe het Latijn de wetenschapstaal was en er daarnaast veel in het Frans werd geschreven. Dit probleem kon men op drie manieren oplossen.

Ten eerste kon men een uitheemse (Latijnse of Franse) term overnemen. Voorbeelden hiervan zijn woorden als cijfer, definitie, materie en propositie, die allemaal in het werk van Stevin te vinden zijn. Het voordeel van dergelijke leenwoorden was dat ze al ‘geijkt’ waren: voor mensen die Latijn of Frans kenden, was hun betekenis direct duidelijk.

Simon Stevin portret

In de tijd van Simon Stevin was Latijn de wetenschapstaal. Daarnaast werd er veel in het Frans geschreven. Daardoor bestonden er voor veel begrippen geen Nederlandse woorden. Beeld: Special Collections Leiden University

Een nadeel was dat het gebruik van leenwoorden niet strookte met de opvattingen over ‘zuiver’ Nederlands. In deze periode bestond er namelijk een sterke puristische beweging, die zich keerde tegen het grote aantal Franse en Latijnse leenwoorden dat in de loop van de tijd het Nederlands was binnengeslopen.

Daarom kozen sommige wetenschappers voor een andere oplossing: zij maakten een nieuwe Nederlandse term, vaak een afleiding of een samenstelling, als vertaling van een bestaande Latijnse term. Voorbeelden van dergelijke leenvertalingen zijn aftrekken voor het Latijnse detrahere, kegelsnede voor sectio conica en raaklijn voor tangens linea. Aftrekken, kegelsnede en raaklijn komen alle drie bij Stevin voor.

Pragmatisch

De derde en laatste manier om het terminologieprobleem op te lossen, was door een al bestaand Nederlands woord een nieuwe technische betekenis te geven. Zo kreeg bepaling, gebruikt voor ‘begrenzing met paaltjes’, er de betekenis ‘definitie’ bij. As, dat ‘spil’ betekende, werd gebruikt voor ‘lijn die een vlak in twee symmetrische helften deelt’, en delen (‘verdelen’) kreeg de rekenkundige betekenis ‘een getal splitsen’. Opnieuw zijn de voorbeelden afkomstig uit het werk van Stevin.

Uit deze voorbeelden blijkt dat Stevin zowel leenwoorden als Nederlandse termen gebruikte. Zijn keuze was vooral pragmatisch: in zijn oudste werken hanteerde hij leenwoorden, omdat deze bij zijn lezers bekend waren. Zo gebruikte hij definitie in plaats van bepalingpropositie in plaats van voorstelargument in plaats van strijdredenmaterie in plaats van stofarithmetike in plaats van telkunstgeometrie in plaats van meetkunst en astronomie in plaats van sterrenkunst.

Later gaf hij meestal om ideologische redenen de voorkeur aan Nederlandse termen, maar hij bleef oog houden voor zijn doelgroep. Zo koos hij in de Coopmansbouckhouding uit 1608 voor ‘gewone on-Nederlandse woorden’, omdat deze leenwoorden bekend waren bij de boekhouders van prins Maurits, ‘terwijl zij de Nederlandse synoniemen niet begrijpen’.

Nieuwvormingen

Als Stevin Nederlandse termen gebruikte, waren dat dan zelfgemaakte nieuwe woorden of koos hij voor al bestaande woorden? Er is tweemaal een inventarisatie gemaakt van de Nederlandse woorden die voorkomen in de verschillende werken van Stevin: in 1919 door K.W. de Groot en in 1943 door E.J. Dijksterhuis. Tezamen komen zij op 450 à 500 woorden.

Hoewel van deze woorden door Stevin zijn bedacht, is vooralsnog niet precies bekend; hiernaar is nog nooit onderzoek gedaan. Alleen de rekenkundige woordenschat van Stevin is tot nu toe vergeleken met het woordgebruik van oude rekenboekjes van vóór Stevins tijd. Dit onderzoek is uitgevoerd door taal- en letterkundige, en docent wiskunde en didactiek Marjolein Kool.

Simon Stevin standbeeld

Zetten we de Vlaamse natuurwetenschapper Simon Stevin terecht op een voetstuk? Foto: Peter Willems/CC BY-NC-SA 2.0

Kool komt tot de bevinding dat het aantal nieuwvormingen van Stevin veel geringer is dan algemeen wordt aangenomen. Ze ontdekte dat slechts 23 van de 61 door Stevin gebruikte rekenkundige termen nieuw zijn gevormd of een nieuwe betekenis hebben gekregen. Voorbeelden van nieuwvormingen zijn parig voor ‘even’, onparig voor ‘oneven’, tiendetal voor ‘getal in het decimale stelsel’ en uitbreng voor ‘product van een vermenigvuldiging’. Woorden die aan Stevin een nieuwe wetenschappelijke betekenis te danken hebben, zijn bijvoorbeeld begeerde voor ‘gevraagde’, maal en werf, beide voor ‘quotiënt’, teerling voor ‘derdemacht’ en 'kubus', en werkstuk voor ‘vraagstuk’. Daarentegen zijn woorden als aftrekken, deelder, delen, deeling, noemer, rekenen, som, wortel en worteltrekken allemaal al in eerdere werken gebruikt.

Interessant is dat Stevin vrijwel nooit nieuwvormingen maakte wanneer er al een Nederlands woord voorhanden was. In dat geval nam hij bijna altijd het bestaande woord over. Als er geen Nederlandse term voor een bepaald begrip bestond, breidde hij bij voorkeur de betekenis van een ander woord uit. In mindere mate vormde hij zelf nieuwe termen, meestal samenstellingen. Dergelijke samenstellingen waren over het algemeen gemakkelijk te begrijpen; denk aan het hierboven genoemde werkstuk.

Vormverandering

Dat Stevin verantwoordelijk is voor een zeer groot aantal nieuwvormingen, is dus een fabeltje. Maar is het eigenlijk wel zo interessant of Stevin zijn termen zelf heeft verzonnen of dat hij ze heeft overgenomen van anderen? Het lijkt mij een groter wapenfeit om termen te verbreiden dan om ze te verzinnen: dat laatste kan iedereen, maar hoe krijg je anderen zover om nieuwvormingen te gaan gebruiken?

Wat ons brengt op de vraag in hoeverre het Stevin gelukt is om Nederlandstalige termen te verbreiden. Stevin werd door tijdgenoten geroemd, en door hem gebruikte woorden werden overgenomen in verschillende woordenboeken, zoals dat van de beroemde lexicograaf Cornelis Kiliaan en in Meijers Woordenschat.

Dat Stevin succesvol was in zijn eigen tijd, hoeft echter nog niet te betekenen dat de door hem gebruikte woorden de tand des tijds hebben doorstaan. Hoeveel woorden precies hebben standgehouden, is lastig te bepalen. Opnieuw is nader onderzoek gewenst.

Het probleem is dat lang niet altijd duidelijk is of de huidige betekenis nog wel overeenstemt met de toenmalige, en dat veel van de door Stevin gebruikte woorden in de loop van de tijd een vormverandering hebben ondergaan. Dikwijls wordt Stevin bijvoorbeeld als munter van de woorden wiskunde, vermenigvuldigen en teller genoemd. Maar wanneer we de vormen bij hem opzoeken, blijkt dat hij spreekt van wiskonst, menigvuldigen en telder. De vorm wiskunde dateert van 1711, teller komt het eerst voor in het beroemde rekenboekje van Bartjens uit 1633, en vermenigvuldigen dateert in de wiskundige betekenis uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. Formeel gezien kunnen deze woorden niet op het conto van Stevin worden gezet. Hoogstens kunnen we opmerken dat Stevin de basis heeft gelegd voor de huidige vormen.

Verdrongen termen

Naar mijn schatting zijn ongeveer veertig van de honderdveertig door Stevin gebruikte wiskundige termen nog steeds algemeen in gebruik; denk aan woorden als aftrekken, as, delen, omtrek, som, veelhoek, veelzijdig, vierhoek, vierkant en wortel. Let wel: het gaat hier om door Stevin gebrúíkte woorden, niet om door hem verzónnen woorden.

Het is belangrijk hierbij te bedenken dat er in de zuivere wiskunde ongetwijfeld meer Nederlandstalige termen blijven voortleven dan in andere vakgebieden, doordat rekenen en meetkunde op school worden onderwezen en men voor kinderen een inheemse term prefereert.

In de toegepaste wiskunde, bijvoorbeeld in vakgebieden als statica en hydrostatica, is het aantal vreemde termen groter dan in de zuivere wiskunde, omdat de wetenschapsbeoefening hiervan internationaal georiënteerd was en is. In de toegepaste wiskunde zijn allerlei Nederlandse scheppingen van Stevin in de loop van de tijd dan ook vervangen door uitheemse woorden. Tekenend is dat Stevins weeghconst en waterwicht geheel verdrongen zijn door statica en hydrostatica – en dit nog wel terwijl Stevin de eerste was die over deze vakgebieden publiceerde. Evenmin hebben Stevins woorden voorspraak, zuil, bezorger, teerling en waterloop standgehouden tegenover de leenwoorden advocaat, cilinder, curator, kubus en riool. Dit zijn slechts enkele voorbeelden uit vele.

Simon Stevin weeghconst

Weeghconst is een van de door Simon Stevin gehanteerde termen die in de eeuwen daarna werden vervangen door andere woorden.

Een belangrijke oorzaak voor de verdwijning van veel Stevin-woorden was de invloed van het Frans, die in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw sterk toenam. De Franse cultuur en wetenschap waren in heel West-Europa toonaangevend. Daardoor werden allerlei Franse leenwoorden ingevoerd, ook in de wiskunde, bijvoorbeeld kubiek, multipliceren, product, kwadraat en quotiënt.

Salonfähig

Kortom: het aantal nieuwe woorden dat Stevin heeft gevormd, is kleiner dan meestal wordt gedacht. Van die nieuwe woorden is een groot deel ook nog eens in de loop van de tijd vervangen door een ander woord, meestal een leenwoord – Stevin draait zich vast om in zijn graf.

Betekent dit dat we Stevin niet langer kunnen beschouwen als grondlegger van het natuurwetenschappelijke Nederlands? Dat staat nog te bezien. Stevin heeft zich namelijk in één opzicht onderscheiden van zijn tijdgenoten: hij was de enige natuurwetenschapper die zijn keuze voor het Nederlands in twee uitvoerige werken een degelijke theoretische onderbouwing verschafte. Daarmee maakte hij het Nederlands als wetenschapstaal salonfähig. Vele natuurwetenschappers na hem publiceerden of vertaalden hun werken in het Nederlands, en geen van hen hoefde nog een groot punt te maken van het taalgebruik.

Stevin mag dan niet de munter zijn van woorden als wiskunde, natuurkunde, het is wel aan hem te danken dat aan de Nederlandse universiteiten momenteel faculteiten voor Scheikunde, Wiskunde, Natuurkunde en Sterrenkunde zijn gevestigd, en niet voor Chemie, Mathematica, Fysica en Astronomie – namen die in het buitenland gebruikelijk zijn.




Nicoline van der Sijs is historisch taalkundige en etymoloog. Ze is emeritus hoogleraar Historische taalkunde van het Nederlands in de digitale wereld aan de Radboud Universiteit Nijmegen en gastonderzoeker aan het Instituut voor de Nederlandse Taal.

Dit artikel verscheen eerder in Onze Taal, het populairwetenschappelijk tijdschrift van het Genootschap Onze Taal.