Natuurkundedocent van het Jaar 2026: ‘Met AI moeten we de sprong in het diepe wagen’

Natuurkundedocent van het Jaar 2026: ‘Met AI moeten we de sprong in het diepe wagen’

Een docent die het onderwijs vernieuwt door te experimenteren met kunstmatige intelligentie en die leerlingen hun motivatie helpt terugvinden door ze vertrouwen te geven: mede om die redenen mag Mats van Loon zich Natuurkundedocent van het Jaar 2026 noemen. ‘Je hoopt die kinderen beter af te leveren aan de maatschappij.’ Dennis Vaendel interviewde hem.

Foto: Renilde Fransen

Afgelopen april reisde Mats van Loon samen met zijn vader af naar het FYSICA-congres in Nijmegen om de prijs voor Natuurkundedocent van het Jaar in ontvangst te nemen. “Dat maakte de cirkel rond”, blikt hij een paar maanden later terug in zijn klaslokaal op het ISW Gasthuislaan in ’s-Gravenzande, waar hij in september begon aan zijn vijfde schooljaar – nadat hij eerder werkte op scholen in Den Haag, Leidschendam en Rotterdam. Door natuurkundedocent te worden, trad hij namelijk in de voetsporen van zijn vader – die ook een belangrijke rol speelde in zijn loopbaan. “Tijdens mijn studie tot docent was hij een tijdje mijn stagebegeleider. De angst vanuit de opleiding was dat hij het me misschien te makkelijk zou maken. Maar ik moest juist harder werken; hij legde de lat hoog.”

Bent u ook hetzelfde type docent als uw vader?

“Nee, mijn stijl is anders. Dat is niet erg; het is juist mooi om daar met elkaar over te praten. Hij is traditioneler, werkt het liefst met een krijtbord. Zelf ben ik meer digitaal gericht en pak ik het wat pedagogischer aan. Ik geef de leerlingen meer eigen verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld bij het maken van opdrachten. Ik houd wel in de gaten hoe ver ze zijn, maar geef ze geen strikte deadline. Je hebt tenslotte ook leerlingen die nauwelijks iets hoeven doen en dan nog steeds een acht halen. Die krijgen juist aversie tegen het vak als je heel dwingend gaat zijn. Bovendien zie ik de middelbare school als een plek om zaken als planning en zelfstandigheid te leren.”

Hoe zelfstandig zijn leerlingen anno 2026?

“Vergeleken met tien jaar geleden is er veel veranderd. De meeste derdejaars zijn qua gedrag nog helemaal niet klaar voor de bovenbouw. Zelfstandigheid, concentratie, rekenvaardigheid: het is allemaal minder geworden. Ik zeg niet dat dat alleen maar komt door de lockdowns tijdens de coronapandemie, al hebben die er ongetwijfeld aan bijgedragen. Sociale media hebben misschien ook invloed op de aandachtsspanne. Verder merk je dat de leerlingen over minder kennis beschikken. Je krijgt vragen waarvan je denkt: heb je dat nog nooit thuis gedaan? Een batterij vervangen, bijvoorbeeld. Sommige leerlingen hebben geen flauw idee waar de plus en min voor staan. Het is allemaal niet erg, maar het betekent wel dat je meer aan basisvaardigheden moet werken.”

Gaat dat niet ten koste van de natuurkundige inhoud?

“Dat kan. Soms moet een inhoudelijk practicum plaatsmaken voor herhaallessen. Het is wat het is: je moet keuzes maken en accepteren dat je niet alles kunt doen binnen het beperkte aantal lesuren per week. Als de basis te wankel is, blijft het drijfzand; dan kunnen de leerlingen wel hard werken voor een goed cijfer bij het examen, maar redden ze het niet op hun vervolgopleiding. Het is goed om het belang van basisvaardigheden te benoemen en te bespreken, zodat ze zich daar ook bewust van worden. Bovendien kan AI helpen bij het verbeteren van vaardigheden.”

Foto: Renilde Fransen

Op welke manier zet u AI hierbij in?

“De afgelopen twee jaar ben ik veel bezig geweest met het maken van een site met apps waarmee leerlingen bijvoorbeeld sommetjes kunnen oefenen. Ze krijgen dan direct feedback over wat ze goed en fout doen. Overigens wordt die feedback niet door AI gegeven, maar ik heb wel de site en de apps met AI gemaakt. Ik ben geen expert, maar ben er gewoon mee gaan rommelen. Er zit nog weleens een foutje in; daarom test ik het zelf of laat ik dat door leerlingen doen.”

Zorgt u er zo niet voor dat leerlingen alleen achter hun laptop zitten in plaats van dat ze samen aan de slag gaan?

“De apps en de site vervangen het boek en het uitwerken van sommen in de klas niet. Ik zie ze als een aanvulling, niet als de heilige graal. Het is aan de leerlingen zelf of ze de apps gebruiken om extra te oefenen met onderwerpen die ze nog moeilijk vinden. Je probeert die optie laagdrempelig aan te bieden, maar in de praktijk zie je dat zelfs die paar klikken om op de site te komen voor sommige leerlingen al veel is. Je moet er erg op aansturen. Het helpt om soms een simpele schriftelijke overhoring met alleen rekenwerk te geven. Dan merken degenen die geoefend hebben: hé, dat loont.”

Sommige docenten vinden dat AI uit de klas geweerd moet worden, omdat leerlingen niet meer zelf zouden leren nadenken.

“Dat kan niet zomaar. Stel dat op de vervolgopleiding alle medestudenten weten hoe ze AI verantwoord moeten gebruiken, maar jij dat nooit geleerd hebt... We moeten de sprong in het diepe wagen. AI gaat niet meer weg; we moeten het in de lessen verwerken. Anders doe je het vak tekort. Zodra kinderen weten hoe ze alles met AI kunnen doen, ben je te laat.”

Hoe pakt u dat aan?

“Je moet durven om dingen uit te proberen en daar eerlijk over te zijn tegenover leerlingen, zodat zij zien dat het voor ons ook zoeken is. Ze mogen nu AI gebruiken om bijvoorbeeld een practicumvoorschrift of onderzoeksplan op te stellen, maar daarbij waarschuwen we wel: wees kritisch. Controleer of het klopt wat AI uitspuugt, anders heb je er niks aan. Als je schuim wilt bestuderen en de instructie is ‘wacht eerst een kwartier’, moet je snappen dat dan alle schuim al verdwenen is. We laten ze ook opdrachten op plekken uitvoeren waar AI geen specifieke kennis over heeft; denk aan het opstellen van een plan om de verlichting in het klaslokaal te vervangen. Dan kan AI helpen bij het denkproces, maar je moet ook je eigen kennis en kunde inzetten. En als je het daarna moet presenteren: dat kan AI ook niet voor je doen. Dat moeten ze leren beseffen.”

Hoe blijft u leerlingen interesseren voor het vak?

“Voor mij heeft natuurkunde iets magisch. Dingen uitzoeken, proefjes bedenken, puzzeltjes oplossen. Maar ik besef dat niet iedereen later iets met het vak gaat doen, en dat natuurkunde niet het belangrijkste onderwerp is in het leven van een puber. Het helpt ook niet dat het als een moeilijk vak wordt gezien. Ik probeer dat beeld te laten kantelen met activiteiten waarvan de leerlingen denken: ‘Hé, ik heb iets geleerd, maar het ook leuk gehad.’ Bijvoorbeeld het ontwerpen van papieren vliegtuigjes, of het jaarlijkse practicum met zonnebloemolie dat je door de halve school ruikt. Dat blijft je bij.

Op de FYSICA-conferentie ontving Mats van Loon afgelopen voorjaar de prijs voor Natuurkundedocent van het Jaar 2026 uit handen van NNV-voorzitter Christa Hooijer. Foto: Martin van Lokven

“Verder probeer ik maatschappelijke thema’s erbij te betrekken. Denk aan de energietransitie, de gasboringen in Groningen of de vraag of er een kerncentrale gebouwd mag worden in je achtertuin. Je probeert ze een mening te leren vormen gebaseerd op feiten, niet op een onderbuikgevoel of loze kreten. Op die manier hoop je ze beter af te leveren aan de maatschappij; ze een stukje burgerschap mee te geven.”

En uitgerekend vanwege extra aandacht voor het thema burgerschap moet natuurkunde in het nieuwe curriculum voor bovenbouw havo/vwo waarschijnlijk uren gaan inleveren…

“Dat is inderdaad ironisch. Hadden bepaalde onderwerpen niet ook binnen ons vak behandeld kunnen worden? Aan de andere kant: ik zie niet zo snel hoe ik zoiets als maatschappelijke polarisatie of verkiezingen aan natuurkunde moet koppelen. Maar of uren – en daarmee inhoud – bij andere vakken weghalen de oplossing is? Daar gaan we achter komen.”

Wat maakt het docentschap mooi?

“Het werken met pubers kan pittig zijn, maar is ook heel bijzonder. Je helpt leerlingen in de breedste zin en geeft ze levenslessen mee. In dat opzicht is natuurkunde voor mij inwisselbaar met andere vakken. De persoonlijke band die je opbouwt met leerlingen kan heel mooi zijn. Bijvoorbeeld de motivatie terugvinden bij iemand die talent heeft, maar ongeïnteresseerd is, altijd te laat komt en daardoor onvoldoendes haalt. Dat doe je door veel te praten om iemands situatie te begrijpen en door diegene vertrouwen te geven, maar ook door duidelijk te zijn over wat je van diegene verwacht. Je moet in de relatie investeren. Als je zelf niet in zo’n leerling gelooft, wordt het niks.”

Krijgt u daar zelf ook iets voor terug?

“Als zo iemand het redt, hoor je achteraf vaak waardering. Dan komen de ‘boefjes’ van de klas bijvoorbeeld weer even langs om te babbelen. Het mooiste voorbeeld vind ik de ongeïnteresseerde leerling van een paar jaar geleden die inmiddels mijn stagiair is. Of de vlag met de tekst defender of knowledge die leerlingen voor me gemaakt hebben en nu hier in het klaslokaal hangt. Ik merkte het ook in april, toen ik de eretitel ontving, maar vanwege mijn scheiding tegelijkertijd de moeilijkste tijd van mijn leven doormaakte. Ik kreeg veel steun: kaartjes, een bosje bloemen... Soms van leerlingen van wie ik het niet verwachtte. Dat raakte mij diep. Dan denken ze niet aan die keer dat je heel streng was, maar aan het gesprek dat je met ze voerde toen zij het zelf zwaar hadden, dat je hen toen zag staan. Dan zien ze jou andersom ook als mens.”




Dennis Vaendel studeerde sterrenkunde aan de Universiteit Leiden en is nu wetenschapsjournalist.