‘Als je doet wat je deed, dan krijg je wat je kreeg’

‘Als je doet wat je deed, dan krijg je wat je kreeg’

Rapporten geven aan dat veel scholen in Nederland onvoldoende scoren op het gebied van pedagogisch-didactisch handelen, de werkdruk voor docenten hoog blijft en veel startende docenten afhaken. Lodewijk Koopman zoekt de oplossing in onverwachte hoek.

Jaarlijks publiceert de Inspectie van het Onderwijs het rapport De staat van het onderwijs. Hoewel veel dingen goed gaan, zijn er ook hardnekkige problemen. Zo signaleert de Inspectie al langer een achteruitgang, of onvoldoende vooruitgang, in basisvaardigheden zoals leesvaardigheid en rekenen. Ook zijn er grote verschillen in de kansen die leerlingen krijgen, afhankelijk van waar ze naar school gaan.

Dit jaar meldt de inspectie dat te veel scholen onvoldoende scoren op het pedagogisch-didactisch handelen (van 24 procent op het vmbo tot 8 procent op het vwo). Dat uit zich bijvoorbeeld in een weinig stimulerend leerklimaat en gebrekkige differentiatie. Interessant is dat scholen en docenten een verschillend beeld hebben van hoe je moet differentiëren of wat differentiatie is. Differentiëren kan leiden tot zowel grotere als kleinere verschillen tussen leerlingen. Hoge normen, maar passende begeleiding, zouden aansluiten bij meer ambitie en het verkleinen van geconstateerde verschillen.

Zorgwekkende statistieken

Gelukkig voelen startende docenten zich beter voorbereid op hun taak door de lerarenopleidingen en inductieprogramma’s op scholen. Tegelijk blijkt uit onderzoek van Voion (VO in Ontwikkeling, 2022) een hoge uitval onder startende docenten van rond de 20 procent. Belangrijkste factoren die van invloed lijken te zijn: een tijdelijk contract, een kleine aanstelling en een hogere leeftijd. Maar zelfs als die factoren gunstig uitpakken, ligt het uitvalpercentage nog op ongeveer 15 procent.

Startend of niet, de ervaren werkdruk ligt in het onderwijs hoog, blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandighedenvan het CBS en TNO. Ongeveer een derde van de docenten ervaart burn-outklachten, tegen één op de vijf leden van het management, of medewerkers buiten het onderwijs. Docenten in het primair en voortgezet onderwijs behoren tot de tien beroepsgroepen met het hoogste aandeel stressvol werk. Uit de enquête blijkt nog iets opmerkelijks: driekwart van de docenten ervaart weinig autonomie. Dat levert stress op als de eisen aan het werk hoog zijn. Echter, van deze groep beoordeelt ruim de helft deze eisen juist als laag.

Gelukkig is het lerarentekort in het vo wel wat gedaald, van 5,1 procent in 2024 naar 3,5 procent in 2025. Opvallend genoeg mede door het wegvallen van subsidies van het Nationaal Programma Onderwijsmiddelen, waardoor de werkgelegenheid op scholen deels is weggevallen en de vrijgekomen leraren weer op de arbeidsmarkt komen. Toch blijft het lerarentekort zorgelijk, omdat er naast een werkelijk tekort ook een verborgen tekort is in de vorm van onbevoegde docenten.

Hoop en ambitie

Als ik het zo achter elkaar zet, lijkt dit geen uitnodiging om in het onderwijs te gaan werken. Gelukkig zijn er in de eerder genoemde onderzoeken en rapporten ook cijfers die hoopvol stemmen. En uit mijn eerdere columns blijkt hoop ik wel hoe uitdagend, inspirerend en relevant werken in het onderwijs is. Maar het gaat nu niet om een zesje, het gaat mij erom dat we op een ‘uitstekend’ moeten mikken. Dat zijn we onze leerlingen en onszelf verschuldigd. Juist daarom gaan de onvoldoendes van de inspectie mij aan het hart.

Je kunt tegenwerpen dat een ‘uitstekend’ leuk is, maar niet realistisch. Daarvoor is meer geld, meer tijd nodig. Natuurlijk, dat kan helpen, maar biedt geen garantie. Als je doet wat je deed, dan krijg je wat je kreeg. Daarom denk ik dat we dingen anders moeten doen.

Positieve feedback

Veel van de cijfers die ik aanhaal, hangen samen en versterken elkaar. Wat is de praktijk achter deze cijfers? Als wij docenten werkdruk ervaren en gestrest zijn, dan komt dat de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede. Als resultaten achterblijven, ervaren we meer werkdruk. Dat maakt dat collega's uitvallen of ander werk zoeken en er meer werk komt te liggen op de schouders van anderen, die daardoor terugvallen op hun routine, minder ruimte hebben om nieuwe dingen te proberen, vermoeid raken en fouten gaan maken. Ondertussen probeert de schoolleiding grip te krijgen op deze zaken, vraagt teamplannen op te stellen, huurt experts in, laat collega's cursussen volgen, eist formulieren in te vullen, stelt deadlines. Wat de druk alleen maar vergroot.

Een oplossing is misschien eenvoudig. Begin met minder les te geven, minder te vergaderen en docententeams meer autonomie te geven om samen beter onderwijs te geven. Stel hoge eisen, formuleer duidelijke doelen en bied daarbij de juiste ondersteuning. Werk aan een veilig leerklimaat waarin collega's aangemoedigd worden om aan te geven als ze iets nog niet kunnen, maar wel willen leren. Waarin ze durven aan te geven dat het even niet gaat zoals ze willen en steun nodig hebben. Heb dus oog voor het feit dat leren niet een lineair proces is. Vaak gaat het eerst slechter voordat de mogelijkheid tot leren zich aandient. Het lijkt of ik het over leerlingen heb, maar dat is het hem nu juist, ook docenten blijven leren. En het zou goed zijn als we dat voor onze leerlingen ook zichtbaar durven te maken. Uit ervaring weet ik dat leerlingen dat waarderen en wonderbaarlijk volwassen feedback kunnen geven. De ironie is dus dat veel waartoe de inspectie oproept, zoals differentiatie, net zo goed voor ons geldt als voor onze leerlingen.

Dit alles heeft ongetwijfeld ook een positief effect op het lerarentekort. Maar er schuilt wellicht een betere, ietwat onorthodoxe oplossing in het inspectierapport. Stop als onderwijs collectief met het inhuren van onderwijsexperts en cursussen en nascholingen door gespecialiseerde bureaus. Mijn ervaring is dat de impact daarvan laag is en vaak tijdelijk. Bovendien neemt zo het aanbod van potentiële leraren toe. Ze zouden onderwijstaken kunnen oppakken en zo de werkdruk verlichten. Bijvoorbeeld door leerlingen in kleine groepen te begeleiden voor extra ondersteuning of klassen te verkleinen. Bij geschiktheid zouden ze bevoegd docent kunnen worden en zo onderdeel van een team dat samen uitstekend onderwijs verzorgt. Schoolleiders kunnen hun aandacht dan weer richten op het scheppen van de juiste randvoorwaarden voor goed onderwijs, in plaats van brandjes blussen en vervanging zoeken.


Lodewijk Koopman is docent natuurkunde op het vwo en lerarenopleider aan de TU Delft.

Foto: Marieke de Lorijn